Poezie

In Memoriam papier

Het Utrechts gemeentelijk archief neemt per 1 januari 2017 “definitief afscheid” van papier, na 650 jaar. Alexis de Roode schreef als Gildemeester van het Utrechts Stadsdichtersgilde een In Memoriam voor het papier.

In Memoriam papier

Je bent goed voor ons geweest, papier,
je bent lang bij ons gebleven,
al waren we niet altijd aardig voor je.

We maakten je uit levende wezens,
moerasplanten, dierenhuid,
beschreven je met heilige woorden,

we eerden je met schoonschrift,
galnoteninkt, bladgoud, miniaturen,
we droegen je als Pascal op het hart,

uit onze eigen lompen werd je gehamerd
in de papiermolen van Hoograven,
maar het was niet genoeg op den duur,

we vroegen je meer en gaven je minder,
er kwamen machines tussenbeide,
we haalden je uit de Zweedse bossen,

steeds afstandelijker werd het tussen ons.
De streling met de pen werd een printer,
hamerslag werd stopcontact, schellak huisstijl,

we werden deel van de machine, wij beiden,
en nu moeten we afscheid van je nemen.
Het enige wat blijft is de geest, informatie

opgesloten in microtransistors, onleesbaar
zonder hulp van algoritmes, vloeibare
kristallen, zeldzaam aardmetaal,

maar we bewaren wel alles, alles, alles,
behalve jou, jij gaat de weg van alle stof,
hier is nog een gedicht, vaarwel.

Alexis de Roode

Winterwende

father_winter_solsticeVerder en verder
de stad uit,
naar de onverlichte landen
wandelt hij,
de oude buitenslaper,
tranen kwijlend in zijn baard.
In het donker moet hij zoeken
naar wat niet
tussen mensen bestaat.
Oorzaakloos
flakkert in de lege kamer
een kaars.
Tijd likt onze handen,
trouwe hond die stinkt
en ouder wordt. Daarom
moeten wij vuren branden,
en alsmaar luisteren naar Bach.

Waar de nacht wit is
en schitterend van vorst,
keert hij om
en strompelt naar de stad terug
als een koning
met sterren bestrooid.
Samen met de ochtend
nadert hij, de ijspegels
aan zijn baard half ontdooid.
Gooi het joelblok in de haard.
Vouw cirkels tot slingers
en kroon de boom
rood wit rood.
Drie vonken stijgen
in de nacht:
een voor jezelf,
een voor je familie,
een voor de wereld.

Stage

Welkom.
Je stage begon
toen je overdekt met bloed en vet
onder de felle lamp verscheen.

De stage is onbetaald,
maar als je geluk hebt zullen je collega’s je voeden.
Al het werk wordt hier gedaan door onbetaalde krachten.
Ook je vader en moeder krijgen hier niets voor.
Helaas is de markt voor zingeving momenteel erg krap,
de marges zijn nihil.

Er is een serie introductiegesprekken ingepland
met verschillende leidinggevenden,
maar je zult pas jaren naderhand weten
dat ze hebben plaatsgevonden.

Er is een werkplek voor je vrijgemaakt,
maar waar die zich bevindt,
moet je zelf ontdekken.
Als je hem aantreft, zal hij bezet zijn door anderen,
die niet op de hoogte zijn gesteld door de directie.

Gaandeweg zul je ervan overtuigd raken
dat je onmisbaar bent voor dit bedrijf.
Je zult vergeten dat je stage liep.

Op de dag dat je leertijd onverwacht afloopt,
zul je je woedend beroepen op je vermeende positie,
koortsachtig zoeken naar een onvindbaar contract.

Bosrand

Op een herfst zonder geloof
ging ik naar de hoeders van gene zijde.
Het was toen oktober
en mijn haar kleurde rood.
Ik ging uit de tijd,
dat wil zeggen,
ik ging uit de wereld.
Sprak tot een omgevallen boom
en zong voor één stervend blad.
Ik zag dat het denken
een lelijk huis was:
een vierkante woondoos
die ongenadig oprees uit de polders.
Sloopkogels!
Maar had alleen een BIC M10.

Langs een slootje schrijf ik dit,
bij dalend licht,
met uitzicht op een bosrand.
Tussen de stammen,
waar de nacht al begonnen is,
fluit een vogel de aarde stil.

Een soort hondje

zeehond

Het zeehondje dat in de Oudegracht in Utrecht werd gevonden op 27 augustus 2015 is inmiddels teruggezet in zee.

Doe het niet zeiden ze
je bent er niet gewenst
het is gevaarlijk
je verdrinkt in een sluis

maar de vis raakte op
ik geloofde in mezelf
in avontuur
in grachten vol vis

het was een lange tocht
en het was inderdaad gevaarlijk
tussen containerschepen door
rivieren op, kanalen in

maar ik bereikte die stad
en zwom in de gracht
mijn kop hoog boven water
trots als een zeekomkommer

ik zag die tweepoters ademhappen
ze leken ongevaarlijk
ik ging heel even aan land
om die stad wat beter te bekijken

ik werd meteen opgepakt
en afgevoerd in een busje
gevangen gezet in AZC Pieterburen
teruggezet in zee

ik hap in een plastic zak
als ik mijn ogen sluit zie ik ze nog
zilveren zoetwatervisjes
die nooit een zeehond hadden gezien

mijn zusjes draaien om mij heen
ik vertel ze hoe de voorntjes
vanzelf in mijn mond zwommen
ongeloof en hoop in hun ogen

ik weet nu de weg
deze zomer of de volgende
dan gaan we, niet alleen
maar met duizenden

Reis

Reis

Ik ga niet weg,
maar blijf ook niet hier.
Er kan dus niemand mee.

Ik ga op reis in een kleerkast
zonder hout, met alleen
maar nacht en ruimte.

Een lange reis
over geringe afstand,
steeds verder naar binnen.

Er blinkt iets in de verte,
onbereikbaar
maar zeer nabij.

Het is de robijn
in de ring van Sinterklaas,
gemaakt van 600 jaar oud plastic.

Hij lijkt op de bloemdieren
in de diepzee
die licht geven in de onderstroom.

Dat is de enige plek op de wereld
waar ik heen kan;
die plek is overal.

En als ik aan zal komen,
is iedereen die niet mee kon
al daar.

(ongepubliceerd)

De lege landen

Ik zit in de trein naar Utrecht
als ik mij plotseling afvraag:
waar is het wonder?
Want alles wat ik zie, bestaat zo ontzettend:
struikjes, koetjes, boerderijen,
er is geen speld tussen te krijgen.

Neem nu die haagbeuk:
die staat daar maar
aan de rand van een weiland.
Beetje groen zijn. Beetje groeien.
Het is allemaal zo van deze wereld!

Geef mij a.u.b. een wonder,
een heel klein krasje
in het diamant van de feiten,
een mirakeltje van niets,
er hoeft heus geen engel bij
of donderstem.

Al is het maar die haagbeuk
die op een mistige ochtend
een beetje is verschoven.
Dan weet ik genoeg.

(uit de bundel: Geef mij een wonder, Uitgeverij Podium, 2005)

AGENDA
Bekijk agenda